Zoekformules

De Romeinse politicus Marcus Tullius Cicero (106-43 v. Chr.) -- ook een vooraanstaand jurist en filosoof -- suggereerde in De inventione een zoekformule om bij rechtzaken de feiten (álle feiten) boven tafel te krijgen: ‘quis’ (wie heeft het gedaan?), ‘quid’ (wat is er precies gebeurd?), ‘ubi’ (waar heeft het misdrijf plaats gevonden?), ‘quibus auxillis’ (waarmee is het misdrijf gepleegd?), ‘cur’ (waarom?), ‘quomodo’ (hoe?), en ‘quando’ (wanneer?). Cicero is de bekendste auteur van zo’n zoekformule, maar al bij Aristoteles (384-322 v. Chr.) vinden we een voorstel, en in de tegenwoordige tijd worden de ‘Five W’s’ door journalisten gebruikt: ‘who?’, ‘what?’, ‘where?’, ‘when?’, ‘why?’, vaak afgesloten met een H: ‘how?’

Wij kiezen de volgorde: ‘wie’ (vragend naar persoon), ‘wat’ (ding), ‘waar’ (plaats), ‘wanneer’ (tijd), ‘waardoor’ (oorzaak), ‘waarom’ (reden), ‘hoe’ (manier van doen). Natuurlijk zijn er ook andere vragen (‘Welke kant moet ik op als ik naar Amsterdam wil?’, ‘Hoeveel kost een MacBook?’), maar deze zijn vaak te herleiden tot een vraag met een woord uit de zoekformule (‘Hoe kom ik van hier naar Amsterdam?’, ‘Wat is de prijs van een MacBook?’).

Sommige vragen zijn grammaticaal incorrect. Je kunt niet vragen ‘Wie ligt de langste brug?’, want ‘wie?’ vraagt naar een persoon, en niet naar een plaats. En zo kun je ook niet vragen ‘Wanneer is de keizer van Japan?’ Soms leveren meerdere vraagwoorden een goede vraag op: ‘Wanneer kan ik geld pinnen?’ en ‘Waar kan ik geld pinnen?’

Maar een grammaticaal goede vraag is nog geen handige of slimme vraag. We gaan er vanuit dat je een vraag stelt aan een alwetend Internet -- niet aan een vriend of kennis die misschien wel weet waar je het antwoord kan vinden, maar je het antwoord zelf niet geven kan. Je vraagt dus niet ‘Waar vind ik informatie over sportvliegen?’ (dat vraag je aan zo’n vriend), maar je vraagt meteen wat je over sportvliegen wilt weten: ‘Waar kan ik in Nederland op zaterdag- of zondagmiddag met kinderen voor minder dan 400 euro per persoon sportvliegen?’

Subject en predicaat

Maar met alleen een vraagwoord ben je er niet. Het idee van Moira Search is dat je een onderwerp kiest met handige eigenschappen. Niet: ‘Hoe maak ik rijst klaar?’ maar wel: ‘Hoe maak ik risotto ai funghi?’

Aristoteles maakte al het onderscheid tussen ‘subject’ en ‘predicaat’. Als ik beweer dat Karel de Grote keizer van het Duitse rijk was, dan is ‘Karel de Grote’ het subject, en ‘. . . was keizer van het Duitse rijk’ het predicaat. Anders gezegd, het predicaat is het ‘keizer-van-het-Duitse-rijk-zijn’. Een simpeler voorbeeld is ‘Marie is blond’. Marie is subject, en blond-zijn is predicaat.

Goede zinnen hebben allemaal een subject en een predicaat. Je kunt niet zeggen ‘Jan was de’, of ‘Karel de Grote in de tuin toen’. Dat moet zoiets zijn als ‘Jan was de winnaar van de race’ en ‘Karel de Grote was toen ook in de tuin aanwezig’.

Goede vragen hebben ook een subject en een predicaat. Je vraagt: ‘Wat heeft Jan gewonnen?’. Het subject is hier Jan, en het predicaat iets-gewonnen-hebben. Je ziet dat het omschrijven van het predicaat altijd wat kunstmatig is, maar dat ligt meer aan de Nederlandse taal dan aan de logica van subject en predicaat. (Als je preciezer kijkt wat nu eigenlijk het predicaat is bij een vraag, dan moet je misschien ook het vraagwoord erbij nemen: ‘wat?-gewonnen-hebben’, en zeggen dat het predicaat nog niet volkomen gespecificeerd is. Je kunt dan zeggen dat het beantwoorden van een vraag het voltooien van een predicaat is. Soms is het ook het voltooien van een subject: ‘Wat is de woonplaats van Sint Nicolaas?’ Hier is het subject eigenlijk Madrid, en ‘. . . is woonplaats van Sint Nicolaas’ een al voltooid predicaat. Het voert te ver om dat hier helemaal uit de doeken te doen, maar het geeft wel een indruk van het soort vragen waar logici en taalkundigen zich mee bezig houden.)

Boolese combinaties

Met zoekformule, subject, en predicaat in de hand hebben we een rudimentaire vraag opgesteld: ‘Wanneer werd de brug gebouwd?’ Of, in onze codering

wanneer-brug-bouwen

Maar die vraag is niet erg deugdelijk. Je wilde misschien wel vragen wanneer de langste brug gebouwd werd; of de langste suspensiebrug in Europa; of de langste suspensie- of ophaalbrug in Europa, het Aziatische deel van Turkije, en Marokko; of de langste brug met steen gebouwd, of met steen en zonder mechanische apparatuur, of uit hout en met houten spijkers. Dit doe je door te verfijnen. Bijvoorbeeld

wanneer-(langste EN (suspensiebrug OF ophaalbrug) EN (“in Europa” OF “in Turkije” OF “in Marokko”)-bouwen
wanneer-(brug EN hout EN “houten spijkers”)-(bouwen EN (NIET mechanische apparatuur)

Hier maak je gebruik van de door de Britse wiskundige en filosoof George Boole (1815-1864) in zijn The Logic of Thought ontwikkelde theorie over combinaties (operatoren) EN, OF, en NIET. Natuurlijk waren die als voegwoorden al lang en breed bekend, maar pas met Boole werd het duidelijk dat er een ‘systeem’ in die voegwoorden zit. Kijk maar:

Ik ga in de vakantie naar Spanje OF Ik ga in de vakantie naar Frankrijk

is hetzelfde als

NIET ((Ik ga NIET in de vakantie naar Spanje) EN (Ik ga NIET in de vakantie naar Frankrijk)).

Het vereist wat gepuzzel, maar dan wordt het duidelijk. Je kunt zelfs

ALS ik met vakantie ga, DAN ga ik naar Spanje

in louter OF’en en NIET’en omschrijven:

Ik ga NIET met vakantie OF Ik ga naar Spanje.

Op een monument van Betje Wolff en Aagje Deken in Nes aan de Amstel staat: Denk NIET aan Betje Wolff, OF denk aan Aagje deken. Met de Boolese logica is dat hetzelfde als: ALS je aan Betje Wolff denkt, denk DAN ook aan Aagje Deken.